Een artikel van Dennis Brouwer over de ontwikkelingen van het Nederlands electoraat, die verder worden geaccentueerd door de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen 2026
Lees volledig artikel: De structurele ruk naar rechts — en waarom links het niet weet te keren
Perpetuum Mobile
Ik werk inmiddels acht jaar samen met Maurice de Hond. In die tijd heb ik tien verkiezingen van dichtbij mogen volgen — en daarvan gingen er zeven met een duidelijke verschuiving naar rechts. In de jaren 60, 70, 80 en 90 gingen we vaak naar links als land, de hegemonie van het CDA en haar voorgangers werd minder prominent. De ontzuiling sloeg toe, maar het overgrote deel van Nederland stemde nog op een van de klassieke bestuurderspartijen, waarbij de PvdA altijd een substantieel aandeel van de electorale taart voor haar rekening nam. De kentering die daarna inzette, is inmiddels niet meer weg te redeneren als een tijdelijke golfbeweging. De verschuiving naar rechts lijkt structureel — aangedreven door generationele vervanging, een groeiende opleidingskloof en een woningcrisis die deze scheidslijnen verder verdiept. En zolang linkse partijen de onderliggende oorzaken niet adresseren, zal deze trend doorzetten.
Sinds de opkomst van Fortuyn is de opkomstdaling afgevlakt. Een deel van de kiezers dat eerder thuisbleef, vond in nieuwe rechtse partijen een reden om weer naar de stembus te gaan. Maar de verschuiving gaat verder dan opkomstcijfers alleen. In tegenstelling tot wat je soms zou denken als je veel media ziet, stemt een vrij groot deel van de jongere generaties rechts/conservatief. Ja, de meeste jongeren stemmen nog steeds linkser dan de andere bevolkingsgroepen, maar dit lijkt in de geschiedenis vaak eerder een leeftijdseffect dan een generatieeffect (met uitzondering van de generatie geboren tussen grofweg 1940 en 1955). En de sterkste generatie voor de partijen rechts van de VVD is geboren na 1960.
Het wegvallen van de oude volkspartijen
De generaties van (grofweg) voor 1955 kennen veel meer partijtrouw en stemmen in veel grotere mate (nog) op CDA, CU, PvdA en ook de VVD. Het (uitgesproken) zwaartepunt voor het CDA ligt op mensen geboren voor 1945. Wie de stembureau-uitslagenkaart van afgelopen oktober bekijkt, ziet regelmatig mobiele stembureaus in woonzorgcentra waar het CDA met 30, 40 of soms wel de 50% 3 tot 4x de gemiddelde score in die gemeente haalt (besef ook dat dat stembureau daar ook nog eens in meetelt). De PvdA heeft/had de meeste kiezers die geboren waren tussen 1940 en 1955. Deze twee (voormalige) brede volkspartijen wisten brede groepen in de samenleving aan zich te binden. Voor de VVD geldt dat ze relatief veel mensen trekken geboren voor 1965, met als specifiek kenmerk een relatief hoog inkomen.
Door generationele vervanging valt het electorale fundament onder deze partijen weg en daarmee de bestuurlijke basis van CDA, PvdA, CU en VVD die ons land decennialang in wisselende samenstellingen heeft geregeerd. Ook is het de katalysator voor de electorale versnippering en volatiliteit. Des te meer doordat jongere generaties aan de linker-, maar ook aan de rechterkant steeds vaker (dan vorige generaties op dezelfde leeftijd) kiezen voor andere partijen die verder uit het midden zitten.
Dit uit zich in een groeipotentieel voor GroenLinks-PvdA (vrijwel exclusief voor het progressieve ‘GroenLinks-component’), DENK, BIJ1 en VOLT en aan de andere kant voor JA21, FVD en PVV. Besef hierbij dat GroenLinks-PvdA even ver van de gemiddelde kiezer (die grofweg tussen het CDA en de VVD instaat) afstaat als de PVV (zie ons onderzoek in oktober). De nieuwe generaties tonen hiermee een steeds uiteenlopender stempatroon. Dit lijkt deels het gevolg van een sterker geworden culturele component in het stemgedrag. Partijen die als rechts van de VVD worden gezien, hebben soms (vooral de PVV) economische standpunten die daar duidelijk links van liggen. Andersom hebben linkse partijen met een uitgesproken progressief profiel, maar ook D66 dat een diffuser economisch profiel kent, hier baat bij.
De uiteenvallende PvdA-achterban
Bij de Gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen woensdag zagen we dat de nieuwe fusiepartij GroenLinks-PvdA ten opzichte van de vorige in 2022 een gevoelig verlies leden. De partij daalde van landelijk 17.8% van de stemmen (de optelling van GroenLinks, PvdA en GroenLinks-PvdA) in 2022 naar een score van slechts 14.6%, een relatieve daling van bijna 20% in vier jaar. Met name in het Noorden, een voormalig bolwerk van de PvdA waar decennialang grote overwinningen werden behaald, waren de verliezen groot.
Exemplarisch hiervoor: de PvdA werd sinds 1949 tot de vorige Gemeenteraadsverkiezingen steevast de grootste partij in Heerenveen. Na de fusie met GroenLinks is het zetelaantal in Heerenveen gehalveerd en werd de partij voor de eerste plaats gepaseerd door een lokale partij die zich verzet tegen de komst van een nieuw AZC. In de voormalige bolwerken van GroenLinks zijn de resultaten minder negatief. Eerder onderzoek van Joost Smits (De Politieke Academie) toonde al aan dat de achterban van GroenLinks-PvdA veel meer lijkt op het oude GroenLinks-electoraat dan op de PvdA. Waar zijn de kinderen van de oude PvdA-achterban dan terechtgekomen? De lijnen lopen uiteen langs opleiding, woonplaats en sociaaleconomische positie.
Kinderen van praktisch geschoolde PvdA-ers zijn — vaak via de SP — dikwijls bij de PVV terechtgekomen. Zij wonen vaak nog in hetzelfde dorp of dezelfde (of hetzelfde type) stadswijk als hun ouders. Als je (op wijkniveau) de verkiezingsuitslagen sinds de jaren 90 buiten de grote steden in het noorden van Nederland bekijkt, kunnen we simpelweg niet om die conclusie heen. Onderzoek van Ipsos I&O uit 2025 bevestigt dit beeld: een derde van de huidige PVV-kiezers geeft aan dat er bij hen thuis PvdA werd gestemd — vaker dan VVD, CDA of welke andere partij dan ook. Kiezers uit een PvdA-gezin vormen hiermee een uitzondering op de regel dat men doorgaans binnen hetzelfde politieke blok blijft: zij hebben een lichte afwijking naar rechts, met 53% die nu rechts van het midden stemt tegenover 47% links.
Kinderen van theoretisch geschoolde PvdA-ers zijn vaker terechtgekomen op een Hogeschool of Universiteit en hebben zich (na hun studie) permanent gevestigd in de stad of anders in een relatief welvarende vinexwijk die mbv OV de stad binnen afzienbare tijd kan bereiken. Plekken waarin nu GroenLinks-PvdA, D66 de boventoon voeren. Tegelijkertijd is er een deel van de jongere generatie dat als eerste in hun familie gaat studeren. Een relatief groot deel daarvan heeft niet de middelen om tijdens de studie in de stad (van hun onderwijsinstelling) te gaan wonen. De ongelijkheid hierin met generatiegenoten die wel-studerende ouders hebben gehad, lijkt toe te zijn genomen door de invoering van het ‘sociaal’ leenstelsel, nota bene mede door partijen als D66, PvdA en GroenLinks. Ze zullen na hun studie minder snel in de stad terechtkomen en gaan eerder wonen in een van de randgemeenten. Doordat ze minder aangehaakt zijn geweest bij het stadse studentenleven, zullen ze wellicht minder snel geneigd zijn om op een ‘stadse’ partij te stemmen.
Opleiding als electorale scheidslijn
Opleidingsniveau wordt door generationele vervanging een steeds grotere electorale scheidingslijn. Waar de PvdA tot de opkomst van Fortuyn nog zowel theoretisch als praktisch geschoolden trok, is dit fundament daarna geleidelijk afgebrokkeld. Eerst door de overwinning van Fortuyn, daarna door de SP en PVV en andere alternatieven. 2012 was een uitzondering, waarbij de PvdA nog één keer een brede doelgroep aansprak. Door de financiële crisis stemden veel mensen op basis van economische motieven en het meer praktisch geschoolde deel van de achterbaan is sociaal conservatiever, maar economisch links. Door het uitvoeren van het bezuinigingsbeleid van Rutte-II lijkt dit als verraad naar dit deel veel de achterban binnen te zijn gekomen en zijn ze sindsdien (waarschijnlijk definitief) niet meer teruggekeerd.
Daarmee verliest de PvdA een belangrijk en significant deel van haar potentiële achterban en doordat de SP van migratie geen belangrijk punt maakt, zijn veel van deze kiezers terechtgekomen bij nieuwe rechtse partijen. In het bijzonder de PVV, die deze combinatie van een wat linksere economische agenda (dan andere rechtse partijen) en cultureel conservatiever beleid wel maakt.
Wat rechts wel biedt
Het succes van rechtse partijen is niet alleen het gevolg van het falen van links. Deze partijen bieden kiezers iets concreets: bovenal erkenning van hun zorgen over migratie en identiteit, en het gevoel gehoord te worden. Waar linkse partijen in de beeldvorming van veel van deze kiezers culturele thema’s als migratie en diversiteit vooropstellen, spreken rechtse partijen direct de taal van bestaanszekerheid, veiligheid en nationale identiteit.
De PVV onderscheidt zich hierbij doordat zij deze cultureel conservatieve positie combineert met een economisch beleid dat dichter bij de oude PvdA ligt — denk aan het beschermen van de AOW, de zorg en de sociale huurmarkt. Voor veel voormalige PvdA-kiezers die sociaal conservatief maar economisch links zijn, is dit een logischer thuis dan een GroenLinks-PvdA dat steeds meer de taal spreekt van de stedelijke hoger opgeleide. FvD en JA21 trekken een ander deel van het rechtse electoraat aan: kiezers met een economisch rechtsere oriëntatie, voor wie de cultureel conservatieve agenda de hoofdreden is. Het is dan ook niet zozeer een proteststem als wel een bewuste keuze — al verschilt de precieze motivatie per partij.
De SP had in theorie de partij kunnen zijn die deze sociaal-conservatieve maar economisch linkse kiezers aan zich bond. Maar doordat de SP op het thema migratie een profiel heeft dat door veel van deze kiezers als te links wordt ervaren, is ze er niet in geslaagd deze groep vast te houden. Voor deze kiezers is migratie nu eenmaal een van de belangrijkste thema’s, en een partij die daar geen conservatief antwoord op formuleert, valt voor hen af — ongeacht hoe aantrekkelijk het economische programma verder is.
De rol van demografie en afkomst
Conservatieve mensen krijgen meer kinderen dan progressieve, een trend die ook zijn weerslag heeft op de huidige en toekomstige electorale verhoudingen. Bij een dalende geboortegraad (en hier is in toenemende mate sprake van) neemt de invloed van dit effect toe. Het meeste onderzoek hiernaar komt uit de Verenigde Staten, maar Europese data wijzen in dezelfde richting: een grootschalig onderzoek op basis van de Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe (SHARE) laat zien dat in Europese landen, gecorrigeerd voor leeftijd, inkomen en opleiding, rechtse individuen gemiddeld meer kinderen hebben dan linkse. Ook de geografische patronen in Nederland — hogere geboortecijfers in de meer conservatieve en religieuze regio’s — geven aanleiding om te verwachten dat deze trend tot op zekere hoogte ook hier gaande is. Dit is niet de hoofdoorzaak van de verschuiving naar rechts — generationele vervanging en de opleidingskloof wegen zwaarder — maar het is een factor die op de langere termijn de verhoudingen verder in dezelfde richting duwt.
Waar je geboren bent, of je ouders gestudeerd hebben, of zij de middelen en/of het netwerk hebben om je te helpen bij het bemachtigen en betalen van een studentenwoning in de stad of het kopen van een huis (in een ‘goede’ wijk) en de vermogensvoorsprong die je dat biedt in je verdere leven, het heeft allemaal invloed op hoe je in de maatschappij terechtkomt — en uiteindelijk op hoe je stemt. Afkomst bepaalt in toenemende mate waar je woont, en waar je woont bepaalt in toenemende mate hoe je stemt. Op die manier versterken demografie, de woningmarkt en de opleidingskloof elkaar in een zichzelf versterkend patroon.
Wie vertegenwoordigt wie?
Tegelijkertijd zien we in de media, op universiteiten, de instituten en uiteraard ook in de gelederen en leiding van veel partijen dat er een duidelijke oververtegenwoordiging is van stedelijke hoger opgeleiden. Het is opmerkelijk dat we als samenleving steeds meer oog hebben voor representatie — terecht is er de afgelopen decennia veel aandacht geweest voor het doorbreken van het glazen plafond voor vrouwen in allerlei posities, en er is (rekening houdend met factoren als leeftijd en deeltijdfactor) bijna geen loonkloof meer — maar de kloof in politieke invloed en inhoudelijke vertegenwoordiging tussen lager en hoger opgeleiden is vele malen groter dan de resterende loonkloof tussen mannen en vrouwen. De loonkloof heeft een jaarlijkse actiedag, een CBS-monitor in opdracht van het ministerie en Europese wetgeving in de maak. De ondervertegenwoordiging van praktisch opgeleiden in de Tweede Kamer — ruim 95% is theoretisch opgeleid, tegenover een derde in de samenleving — krijgt weliswaar steeds meer aandacht, maar het institutionele gewicht erachter staat nog niet in verhouding tot de omvang van het probleem.
De bestendiging van lokale partijen en de winst van rechtse partijen, die bij vele verkiezingen in de afgelopen acht jaar herhaald is en op langere termijn doorzet, kan gezien worden als een impliciet verzet tegen deze ontwikkeling. De goede uitslagen van Leefbaar Rotterdam en Hart voor Den Haag laten zien, dat deze trends ook grote steden niet vermijden. Rotterdam en Den Haag wijken natuurlijk heel erg af van andere grote steden en de studentensteden doordat er relatief meer praktisch geschoolde Nederlanders zonder migratieachtergrond wonen, welke overigens door gentrificatie en de stijgende woningprijzen (op zijn minst generatie op generatie) allengs ook deze steden en sommige van de naliggende duurdere forenzengemeenten worden uitgedrukt.
De woningmarkt als electorale katalysator
Voor de langjarige stijging van de rechtse partijen, de daling van linkse en middenpartijen zijn dus een hoop mogelijke oorzaken. Vaak worden de migratie- en klimaatproblematiek aangedragen als de culturele respectievelijk economische redenen waarom grote groepen kiezers zich afwenden van linkse partijen en er een verschuiving plaatsvindt naar rechts. Maar de woningmarkt, nu al jaren het belangrijkste thema voor kiezers bij verkiezingen, lijkt een extra stimulans te geven aan deze electorale ontwikkeling.
Problemen op de woningmarkt en de grote ongelijkheid die hierop is ontstaan tussen mensen met en zonder een koopwoning lijden tot wanhoop bij grote groepen jongvolwassenen en zelfs dertigers. Deze ongelijkheid loopt deels tussen generaties, maar is ook in geen enkele generatie groter dan binnen deze groep. De jubelton die een paar jaar geleden werd ingevoerd, zal hier bepaald geen positieve bijdrage aan hebben geleverd. Maar het cruciale punt voor de electorale ontwikkelingen lijkt dat aan deze huisvestingsproblematiek nu ook het thema migratie wordt gekoppeld.
Tegelijkertijd lijken linkse partijen zich in de beeldvorming (voor veel rechtse kiezers) meer te richten op het helpen van migranten, bijvoorbeeld door statushouders voorrang te geven op de sociale huurmarkt. Zolang het fundament van dit gevoel van ongelijkheid en onrecht niet wordt opgelost, enerzijds door deze regelingen af te zwakken en/of anderzijds door een grote doorbraak te maken in de vorm van het daadwerkelijk realiseren van betaalbare nieuwbouwwoningen, zullen deze groepen niet terugkeren naar linkse partijen en zullen zij hun achterban niet kunnen verbreden. Dit wordt echter ook niet geholpen door het natuur- en stikstofbeleid dat deze linkse partijen voorstaan, hetgeen in ieder geval in de perceptie van veel van deze kiezers wordt gezien als een barrière om deze woningbouw tot stand te brengen.
De strategische impasse van links
Veel (kinderen van) PvdA-stemmers haken hierdoor af bij linkse partijen, die zich in het politieke debat eerder lijken te richten op (of zich hiertoe laten verleiden) tot het bestrijden van rechtse partijen als probleem op zich, in plaats van de onderliggende problemen die ten grondslag lijken te liggen aan de doorgaande electorale duikvlucht van links en de winst van rechts. Veel kiezers die naar deze partijen zijn overgestapt zien dit als miskenning van hun problemen en de zorgen die ze hebben en het vervreemdt de partijen verder van een deel van hun voormalige achterban. Als linkse partijen niet tot inkeer komen of hun prioriteiten (in ieder geval in de beeldvorming) verleggen, zal de ongelijkheid toe blijven nemen en is de kans groot dat het land onbestuurbaar wordt zonder bestendige deelname van partijen rechts van de VVD en hiermee de normalisering van wat nu nog door velen als radicaal-rechts wordt gezien.
Verschuilen achter het feit dat men telkens niet in de regering zit is ook een ‘selfown’. In Rutte-II, de laatste deelname van een partij links van D66 aan een coalitie, werd economisch rechts VVD-beleid dat leidde tot een grotere ongelijkheid, onder het mom van de noodzaak tot bezuinigingen na de financiële crisis, bijna integraal uitgevoerd. De reden dat links niet aan de knoppen zit om het probleem op te kunnen lossen is direct het gevolg van de electorale strategie en beeldvorming en de inhoudelijke prioritering en keuzes die worden gemaakt. Doordat ze zich vervreemden van een voormalig en ook potentieel (de kinderen van) deel van hun achterban, partijen rechts van de VVD uitsluiten en hierdoor door de electorale verhoudingen altijd overgeleverd zijn aan de economisch rechtse VVD, zullen ze niet in staat zijn om genoeg invloed uit te oefenen om de problemen op te lossen. En door de fusie met GroenLinks die de PvdA nog verder de hoogopgeleide stedelijke bubbel in trekt, is zelfs de VVD niet meer happig op samenwerken.
De focus op de man in plaats van de bal en het spelen van scheidsrechter zal leiden tot een steeds grotere electoraal verlies en de uiteindelijke winst van partijen rechts van de VVD. Tenzij linkse partijen bereid zijn om de koers fundamenteel te verleggen. Dat begint met de erkenning dat de verschuiving naar rechts geen communicatieprobleem is, maar een inhoudelijk en strategisch probleem. Het betekent concreet: de woningcrisis als topprioriteit behandelen en daarin zichtbaar resultaat boeken, ook als dat schuurt met andere beleidsdoelen. Het betekent de zorgen over migratie niet wegwuiven maar adresseren met een eigen verhaal dat verder gaat dan het bestrijden van rechts. En het betekent coalities niet bij voorbaat uitsluiten die nodig zijn om daadwerkelijk aan de knoppen te zitten.
Zonder deze bereidheid zal de electorale basis van links verder afkalven, zullen de onderliggende problemen blijven groeien, en zal de politieke macht structureel bij rechts komen te liggen. Niet omdat de meerderheid van de Nederlanders radicaal-rechts is, maar omdat links er niet in slaagt om een alternatief te bieden dat aansluit bij de werkelijkheid van een groot deel van het land.



