Ter gelegenheid van het 50-jaar jubileum als peiler is er een speciaal onderzoek uitgevoerd, met als thema 50 jaar. Er is een pdf beschikbaar met het hele rapport en het rapport kan ook hier gelezen worden met interactieve tabellen.
Lees volledig artikel: Oordeel over 50 jaar Nederland
Inleiding
Op 9 oktober 2026 is het precies vijftig jaar geleden dat ik bij In de Rooie Haan zijn eerste zetelpeiling presenteerde. Het was het begin van een lange reeks onderzoeken naar de politieke voorkeuren en opvattingen van Nederlanders. In de eerste vijfentwintig jaar verschenen zijn zetelpeilingen met regelmaat bij In de Rooie Haan, Achter het Nieuws en NOVA.
Na 2002 volgde Stem van Nederland, waarbij De Hond als eerste opiniepeiler met een eigen online panel werkte. Vanaf 2004 werkte hij een tijdje vanuit de NOS. Na 2007 opereerde hij onafhankelijk vanuit zijn eigen opiniepanel Peil.nl. Met de uitkomsten was hij onder meer regelmatig te zien bij De Wereld Draait Door. De laatste jaren publiceert hij zijn onderzoeken vooral op maurice.nl en bespreekt hij de politieke ontwikkelingen samen met Marianne Zwagerman in de podcast Dwars door de Politiek.
Ter gelegenheid van dit vijftigjarig jubileum heeft Peil.nl een speciaal onderzoek uitgevoerd naar de manier waarop Nederlanders hun land beoordelen. Het onderzoek vond eind september 2026 plaats onder een representatieve steekproef van bijna 7.000 Nederlanders. Centraal staat hun oordeel over Nederland vandaag, naast hun terugblik op eerdere perioden in de afgelopen vijftig jaar. Daarmee krijgt het jubileum ook inhoudelijk vorm: als aanleiding om te onderzoeken hoe Nederlanders de ontwikkeling van hun samenleving ervaren.
De deelnemers beoordeelden twaalf onderwerpen met een rapportcijfer van 1 tot 10. Die onderwerpen lopen uiteen van rondkomen, betaalbaar wonen, zorg en onderwijs tot veiligheid, samenleven, immigratie en het functioneren van de politiek. De resultaten worden uitgesplitst naar onder meer leeftijd, opleiding, inkomen en huidige politieke voorkeur. Daarnaast is onderzocht hoe de beoordelingen samenhangen met zorgen over de eigen financiële toekomst en met de kansen of bedreigingen die mensen ervaren.
Verschillende leeftijdsgroepen kregen bovendien vragen over Nederland rond 1980, 2000 of 2015. Deze antwoorden laten zien hoe mensen vanuit het heden naar vroeger kijken. Het zijn geen metingen die destijds zijn uitgevoerd. Herinneringen, de levensfase waarin iemand zich toen bevond en de huidige omstandigheden kunnen allemaal meespelen. Juist daarom is het waardevol te onderzoeken op welke onderwerpen en tussen welke groepen de terugblikken overeenkomen of uiteenlopen.
Ook het stemgedrag komt aan bod. Welke partijen hebben Nederlanders in eerdere perioden gesteund, en hoe verhoudt die politieke voorgeschiedenis zich tot hun latere stemkeuze? Plus de oordelen over de prominente politici van de afgelopen 50 jaar.
Samen bieden de uitkomsten een beeld van tevredenheid, onvrede en ervaren verandering. Dit rapport maakt zichtbaar waar Nederlanders een oordeel delen en waar hun beoordelingen sterk van elkaar verschillen.
Amsterdam, 9 oktober 2026 Maurice de Hond
De pdf van het onderzoeksrapport kunt u hieronder bekijken en downloaden.
Samenvatting van het onderzoek
De bijna 7.000 ondervraagden gaven rapportcijfers (1–10) voor twaalf onderwerpen in relatie tot de Nederland van vandaag en in de afgelopen 50 jaar: van rondkomen en wonen tot veiligheid, samenleven, immigratie en het functioneren van de politiek. Daarbij keken zij terug op 1980, 2000 of 2015, op hun stemverleden en op politici uit vijf decennia.
Een somber totaalbeeld
Nederland krijgt gemiddeld een 3,9. Betaalbaar wonen en het beleid voor immigratie en asiel scoren in vrijwel alle groepen het laagst. Jongeren oordelen het gunstigst (4,6) en 55- tot 64-jarigen het meest kritisch (3,4). Ook opleiding en inkomen maken veel verschil. De groep die LBO/VMBO als hoogste opleiding heeft gehad, geeft een 2,9 en degenen die HBO of Wetenschappelijk Onderwijs hebben gehad scoren een 5,0. Bij een minimuminkomen is het gemiddelde 3,3, boven twee keer modaal 4,7.
Kernbevinding: financiële onzekerheid kleurt het hele oordeel
De belangrijkste uitkomst is de sterke samenhang tussen zorgen over de eigen financiële toekomst en een breed negatief oordeel over Nederland. Wie zich financiële zorgen maakt, geeft gemiddeld een 3,1. Wie dat niet doet, geeft een 4,7. Dat verschil zie je op alle twaalf onderwerpen. Het blijft vrijwel even groot als je het onderwerp rondkomen buiten beschouwing laat (3,1 tegenover 4,6).
Het effect beperkt zich dus niet tot economische thema’s. Bezorgde mensen geven ook veel lagere cijfers voor:
- veiligheid op straat: 3,6 tegenover 5,1
- cultureel samenleven: 3,0 tegenover 4,4
- de mate waarin de politiek rekening houdt met de bevolking: 2,4 tegenover 4,2
Een vergelijkbaar patroon zie je bij wie de ontwikkelingen van de afgelopen vijf jaar vooral als bedreiging ervaart (gemiddeld 3,3). Wie vooral kansen ziet, geeft gemiddeld een 4,9.
Samen vormen deze twee vragen de ‘kansrijk-index’. Deze werd in 2016 geïntroduceerd als betere voorspeller van stemgedrag dan de links-rechtsschaal, en in 2026 is het patroon nog uitgesprokener. Van de mensen zonder financiële zorgen stemt 40% D66, CDA of VVD, tegenover slechts 15% van de bezorgden. Omgekeerd kiest 37% van de bezorgden voor PVV, FVD of SP.
De kloof tussen achterbannen is groot. PVV-kiezers geven rondkomen een 3,1, D66-kiezers een 6,9. Over alle onderwerpen is hun gemiddelde 2,4 tegenover 6,1. Financiële (on)zekerheid is daarmee een belangrijke mogelijke verklaring voor die kloof, en opleidingsniveau speelt daarbij een grote rol. Het rapport noemt dit een belangrijke invalshoek om de politieke verschillen in Nederland beter te begrijpen. En stelt een toename van de polarisatie vast in de afgelopen 10 jaar.
Ook als ze terugkijken zien 65-plussers die PVV stemmen meer achteruitgang sinds 1980 dan 65-plussers die D66 stemmen. Dat geldt vooral voor veiligheid (3,0 punt verschil tussen toen en nu, tegenover 0,7) en rondkomen (2,1 punt, tegenover 0,6).
Stemverleden en politici
Achterbannen hebben herkenbare, maar gemengde politieke wortels. Zo koos 58% van de vroegere LPF-stemmers in 2025 de PVV. Oud-VVD-kiezers zijn verspreid over VVD, PVV, D66 en CDA.
De meest gewaardeerde politici per periode zijn:
- 1976–1995: Hans Wiegel en Joop den Uyl
- 1996–2010: Pim Fortuyn
- 2011–2020: Mark Rutte
- 2021–2026: Geert Wilders en Mark Rutte
1. Rapportcijfers over Nederland – 50 jaar
De ondervraagden konden over 12 onderwerpen hun oordeel geven met een score tussen de 1 en 10. Het betrof dan de situatie van nu in Nederland en ook een eerder moment in de tijd. Afhankelijk van de leeftijd betrof dat Nederland in het jaar 1980, het jaar 2000 en het jaar 2015.
De tabellen laten zien hoe verschillende groepen de huidige situatie in Nederland beoordelen. De twaalf onderwerpen zijn geordend in vier clusters. Het gemiddelde rechts in elke tabel weegt alle twaalf onderwerpen even zwaar; voor de totale groep is dit 3,9. De toelichtingen beschrijven verschillen tussen groepsgemiddelden. Daaruit volgt niet dat ieder groepslid hetzelfde oordeelt of dat het betreffende groepskenmerk de verschillen veroorzaakt. De samenhang tussen financiële zorgen en een breed negatief oordeel over Nederland is een belangrijk patroon. De grote verschillen tussen partijachterbannen bij rondkomen maken die samenhang ook politiek relevant.
1.1 Rapportcijfers naar leeftijd
Gemiddelde beoordeling van de huidige situatie in Nederland
De jongste leeftijdsgroep beoordeelt de huidige situatie in Nederland gemiddeld het gunstigst. Het gemiddelde over de twaalf onderwerpen bedraagt 4,6 bij 18-24-jarigen. Vervolgens daalt dit via 4,4 bij 25-34-jarigen en 4,1 bij 35-44-jarigen naar 3,6 bij 45-54-jarigen. De laagste beoordeling komt van 55-64-jarigen, met gemiddeld 3,4. Bij 65-plussers ligt het gemiddelde weer hoger, op 3,9. Vooral de groep van 55-64 jaar valt dus op door haar kritische oordeel. Op alle twaalf onderwerpen geeft deze groep het laagste cijfer van de zes leeftijdsgroepen.
De grootste verschillen tussen de jongste groep en 55-64-jarigen zien we bij veiligheid en samenleven. De veiligheid op straat krijgt van 18-24-jarigen een 5,8 en van 55-64-jarigen een 3,7. Voor het samenleven van mensen met verschillende culturele achtergronden zijn de cijfers respectievelijk 5,1 en 3,1. Ook de manier waarop Nederland immigratie en asiel regelt wordt door jongeren minder negatief beoordeeld: 3,7 tegenover 2,4.
Hetzelfde leeftijdspatroon is zichtbaar bij bestuur en zeggenschap. Jongeren geven de invloed van burgers een 4,5, tegenover 2,9 bij 55-64-jarigen. Of de politiek rekening houdt met wat onder de bevolking leeft, wordt beoordeeld met respectievelijk 4,1 en 2,7. De jongste groep is daarmee relatief positiever, maar ook haar beoordelingen van de politieke verhoudingen blijven laag.
Een betaalbare woning vinden krijgt in alle leeftijdsgroepen bijzonder lage cijfers, tussen 2,6 en 3,1. Jongeren geven hiervoor een 2,7. Hun relatief gunstige algemene oordeel gaat dus samen met een zeer kritische beoordeling van de woningmarkt. Ook over de kansen voor jongeren om een goed bestaan op te bouwen zijn 18-24-jarigen terughoudend: zij geven een 4,2. De groep van 25-34 jaar beoordeelt die kansen met een 4,6 nog iets gunstiger.
De 65-plussers geven op ieder onderwerp hogere cijfers dan de groep van 55-64 jaar. Dat maakt duidelijk dat de beoordelingen niet simpelweg steeds negatiever worden naarmate de leeftijd hoger ligt. Het betreft hier verschillen tussen leeftijdsgroepen op hetzelfde meetmoment; de tabel laat niet zien hoe het oordeel van mensen verandert wanneer zij ouder worden.
1.2. Rapportcijfers naar huishoudinkomen
Gemiddelde beoordeling van de huidige situatie in Nederland
De beoordeling van Nederland hangt duidelijk samen met het huishoudinkomen. Het gemiddelde over de twaalf onderwerpen loopt op van 3,3 bij huishoudens met een minimuminkomen naar 3,5 beneden modaal en 3,8 bij een modaal inkomen. Huishoudens tussen één en twee keer modaal komen uit op 3,9, gelijk aan het gemiddelde van de totale groep. De hoogste inkomenscategorie, meer dan twee keer modaal, geeft gemiddeld een 4,7. Vooral de stap naar deze hoogste categorie valt op.
Het grootste verschil tussen de laagste en hoogste inkomenscategorie betreft de mogelijkheid om van het inkomen rond te komen. Hiervoor geven huishoudens met een minimuminkomen een 3,5 en huishoudens met meer dan twee keer modaal een 5,7: een verschil van 2,2 punten. Ook de toegankelijkheid van de zorg wordt duidelijk anders beoordeeld, met respectievelijk 4,2 en 6,1. Bij de kansen voor jongeren om een goed bestaan op te bouwen bedraagt het verschil 1,7 punt: 3,3 tegenover 5,0. De verschillen zijn daarmee sterk zichtbaar binnen het cluster bestaanszekerheid en perspectief.
Ook bij bestuur en zeggenschap liggen de beoordelingen van de hoogste inkomens hoger. Zij geven de invloed van burgers een 4,6, tegenover 3,0 bij de minimuminkomens. Voor de mate waarin de politiek rekening houdt met de bevolking zijn de cijfers 4,2 en 2,9. De kwaliteit van het bestuur krijgt respectievelijk 4,2 en 3,2. Ook onder de hoogste inkomens blijven de beoordelingen van deze drie onderwerpen dus beneden de vijf.
De woningmarkt en het immigratiebeleid krijgen in iedere inkomenscategorie lage cijfers. Zelfs bij meer dan twee keer modaal komt de betaalbaarheid van woningen niet verder dan 3,5; bij een minimuminkomen is dit 2,2. De regeling van immigratie en asiel krijgt respectievelijk 3,3 en 2,6. De kritiek op deze onderwerpen wordt dus breed gedeeld, al verschilt de scherpte ervan.
De hoogste inkomens geven op alle twaalf onderwerpen hogere cijfers dan de minimuminkomens. Dat geldt ook voor de veiligheid op straat, met 5,4 tegenover 3,8, en voor cultureel samenleven, met 4,4 tegenover 3,2. Het verschil in beoordeling strekt zich daarmee uit over de volle breedte van het maatschappelijk functioneren.
1.3 Rapportcijfers naar opleiding
Gemiddelde beoordeling van de huidige situatie in Nederland
De geselecteerde opleidingscategorieën laten grote verschillen zien in de beoordeling van Nederland. Het gemiddelde over de twaalf onderwerpen bedraagt 2,9 bij LBO/VMBO, 3,5 bij MBO en 3,8 bij HAVO/VWO. De als HBO/WO aangeduide groep komt uit op 5,0. In deze tabel betreft HBO/WO de hoogste oorspronkelijke opleidingscategorie, met master, doctoraal en postdoctoraal. Het is dus geen samenvoeging van alle respondenten met een opleiding op HBO- of WO-niveau.
Vooral bij bestuur en zeggenschap zijn de verschillen groot. De invloed van burgers krijgt van de groep LBO/VMBO een 2,3, tegenover 5,1 bij de weergegeven groep HBO/WO. Dat verschil van 2,8 punten is het grootste tussen deze twee groepen binnen de twaalf onderwerpen. De mate waarin de politiek rekening houdt met de bevolking krijgt respectievelijk 2,2 en 4,7. Voor de kwaliteit van het bestuur zijn de cijfers 2,3 en 4,5. De laagste opleidingscategorie beoordeelt daarmee alle drie de politieke onderwerpen bijzonder negatief. Juist op deze onderwerpen zijn ook de verschillen tussen partijachterbannen groot. Opleiding en politieke voorkeur laten daarmee een overeenkomst zien in de onderwerpen waarop de beoordelingen het sterkst uiteenlopen.
Ook de veiligheid op straat laat een groot verschil zien: 3,1 bij LBO/VMBO tegenover 5,8 bij HBO/WO. Voor het samenleven van mensen met verschillende culturele achtergronden zijn de beoordelingen 2,7 en 4,9. Bij de regeling van immigratie en asiel is het verschil kleiner, maar nog steeds duidelijk: 2,2 tegenover 3,7. De verschillen beperken zich daarmee niet tot economische of politieke onderwerpen.
Binnen bestaanszekerheid en perspectief krijgt rondkomen een 3,4 bij LBO/VMBO en een 5,9 bij HBO/WO. De toegankelijkheid van de zorg wordt beoordeeld met respectievelijk 4,0 en 6,2. Voor de kansen van jongeren zijn de cijfers 3,2 en 5,3. De groepen MBO en HAVO/VWO nemen op deze onderwerpen steeds een tussenpositie in.
Een betaalbare woning vinden wordt in alle vier de categorieën negatief beoordeeld. De cijfers lopen van 2,3 bij LBO/VMBO tot 3,7 bij HBO/WO; MBO en HAVO/VWO geven beide een 2,6. Ook het hoogste gemiddelde van 5,0 betekent dus geen algemene tevredenheid. Binnen die groep krijgt alleen de toegankelijkheid van de zorg een cijfer boven de zes. De overige onderwerpen laten, ondanks de hogere beoordelingen, veel ruimte voor verbetering.
1.4 Rapportcijfers naar politieke voorkeur
Gemiddelde beoordeling van de huidige situatie in Nederland
De verschillen naar politieke voorkeur zijn ook bij rondkomen bijzonder groot. PVV-kiezers geven de mogelijkheid om van het inkomen rond te komen een 3,1 en FVD-kiezers een 3,3. Daartegenover staan 6,9 bij D66, 6,4 bij het CDA en 6,0 bij de VVD. Tussen PVV en D66 bedraagt het verschil 3,8 punten. Dit is een groot verschil in de beoordeling van een onderwerp dat direct aan bestaanszekerheid raakt.
Deze cijfers gaan samen met uiteenlopende oordelen over Nederland als geheel. PVV- en FVD-kiezers geven over alle twaalf onderwerpen gemiddeld een 2,4; D66-kiezers een 6,1. Bij bestuur en zeggenschap zijn de afstanden nog groter. De mate waarin de politiek rekening houdt met de bevolking krijgt van D66-kiezers een 6,5, van PVV-kiezers een 1,6 en van FVD-kiezers een 1,4. De invloed van burgers krijgt respectievelijk 6,5, 1,7 en 1,5.
Een aanvullende analyse onder 65-plussers laat zien dat politieke voorkeur ook samenhangt met de afstand tussen het huidige oordeel en de terugblik op 1980. Hiervoor zijn de ongewogen antwoorden van 177 huidige D66-kiezers en 459 huidige PVV-kiezers vergeleken. Iedere respondent beoordeelde beide perioden. Bij rondkomen, betaalbaar wonen en veiligheid is het gemiddelde verschil tussen vroeger en nu bij PVV-kiezers groter dan bij D66-kiezers.
Bij rondkomen beoordelen D66-kiezers 1980 gemiddeld 0,6 punt hoger dan nu; bij PVV is dat 2,1 punten. Bij veiligheid op straat is de afstand 0,7 punt bij D66 tegenover 3,0 punten bij PVV. Daar geeft 14% van de D66-kiezers het heden een minstens drie punten lager cijfer dan 1980, tegenover 55% van de PVV-kiezers.
Bij betaalbaar wonen zien we een breed gedeeld gevoel van achteruitgang. Bij D66 geeft 64% het jaar 1980 een hoger cijfer dan nu, bij PVV 65%. De omvang van het verschil is wel anders: gemiddeld 1,8 punten bij D66 en 3,0 punten bij PVV. De kritiek op de huidige woningmarkt wordt dus door beide groepen gedeeld, maar is bij PVV scherper.
Op alle drie de onderwerpen geven PVV-kiezers ook 1980 lagere cijfers dan D66-kiezers. De afstand tussen beide achterbannen is voor het heden telkens groter. Bij veiligheid bedraagt het verschil tussen D66 en PVV bijvoorbeeld 1,5 punt voor 1980 en 3,7 punten voor nu. Het sterkere gevoel van achteruitgang bij PVV gaat daarmee samen met een vooral over het heden veel ongunstiger oordeel.
Beide perioden zijn tijdens hetzelfde onderzoek beoordeeld. De cijfers meten ervaren achteruitgang; zij bepalen niet welk deel berust op feitelijke veranderingen en welk deel op herinnering of de invloed van het huidige perspectief op de terugblik.
1.5 De kansrijk – index
10 jaar geleden probeerde ik betere “voorspellers” te vinden voor electorale keuzes dan de links-rechts schaal. Een combinatie van twee vragen bleken die rol te kunnen vervullen. In dit rapport uit 2016 deed ik daar verslag van.
Die twee vragen waren:
- Maakt u zich zorgen over uw financiële toekomst?
- Hebben de veranderingen van de afgelopen 5 jaar u vooral meer kansen opgeleverd of bedreigingen?
Die combinatie van deze twee vragen noemde ik “kansrijk-index”.
De volgende tabel van de situatie van dit moment laat goed zien hoe de resultaten van dit moment lijken op die uit 2016.
In 2016 koos de helft van degenen die zich zorgen maakten over hun financiële toekomst PVV, SP of 50PLUS. Terwijl van degenen die zich geen zorgen maakten over hun financiële toekomst 20% voor deze drie partijen kosten.
De VVD, die op dat moment bijna 30 zetels scoorde was de partij met relatief gezien het grootste aandeel kiezers die zich geen zorgen maakten over hun financiële toekomst.
Bij CDA, GroenLinks, D66 en PvdA was dat ook het geval, maar in mindere mate dan bij de VVD.
Ook in 2026 zien we dezelfde soort verschillen als in 2016, maar zijn de cijfers uitgesprokener, zoals de volgende tabel laat zien. D66 is nu de partij, die de favoriet is van de kiezers die zich geen zorgen maken over hun financiële toekomst en in nog grote mate van degenen die vinden dat de ontwikkelingen in de afgelopen 5 jaar vooral kansen hebben opgeleverd.
Aan de andere kant van het spectrum zien we nog steeds de prominente plaats van de PVV-kiezers met daarnaast de kiezers van FVD.
40% van degenen die zich geen zorgen maken over hun financiële toekomst stemmen nu D66, CDA of VVD. Terwijl van degenen die zich wel zorgen maken over hun financiële toekomst slechts 15% dat doet.
Andersom zien we dat van degenen die zich wel zorgen maken over hun financiële toekomst 37% PVV, FVD of SP stemmen en maar 15% D66, CDA of VVD. Vrijwel andersom dus als degenen die zich geen zorgen maken over hun financiële toekomst.
Iets vergelijkbaars zien we bij de groep die aangeeft vooral meer kansen te zien. 41% van hen kiest D66, CDA of VVD, terwijl maar van deze groep 11% PVV, FVD of SP kiest.
Als de combinatie “geen financiële zorgen” en “ziet meer kansen” genomen wordt dan zijn de verschillen nog uitgesprokener.
(Zoals ook al in 2016 bleek is de variabele “opleidingsniveau” een belangrijke component bij zowel het antwoord op de vraag over “zorgen maken over de financiële toekomst” als “ziet meer kansen of bedreigingen”. )
Van de D66-kiezers maakt 11% zich zorgen om zijn financiële toekomst, terwijl bij de PVV- en FVD-kiezers dat 69% is.
Deze kruistabel laat dus zien dat politieke voorkeur inderdaad sterk samenhangt met financiële zorgen en met oordeel over kansen of bedreigingen. En daarmee zouden we de verklaring kunnen vinden waardoor kiezers van PVV aan de ene kant en kiezers van D66 aan de andere kant op vrijwel alle 12 onderdelen zo’n groot verschil in oordeel laten zien.
De volgende twee tabellen bieden daarvoor ondersteunend bewijs.
1.6 Rapportcijfers naar zorgen over de financiële toekomst
Gemiddelde beoordeling van de huidige situatie in Nederland
Deze tabel over financiële zorgen laat goed zien hoe op alle 12 onderwerpen de verschillen in scores groot zijn. Mensen die zich zorgen maken over hun financiële toekomst geven de twaalf onderwerpen gemiddeld een 3,1, tegenover 4,7 bij mensen zonder zulke zorgen. Op alle twaalf onderwerpen liggen de cijfers van de bezorgde groep een stuk lager. Ook zonder de vraag over rondkomen blijft het verschil groot: 3,1 tegenover 4,6 over de overige elf onderwerpen.
Het grootste verschil betreft de mogelijkheid om van het inkomen rond te komen. Mensen met financiële zorgen geven hiervoor een 3,6; mensen zonder die zorgen een 5,8. Voor de kansen van jongeren zijn de cijfers 3,2 en 5,0. De toegankelijkheid van de zorg krijgt respectievelijk 4,3 en 5,9. Financiële zorgen gaan dus samen met een ongunstiger oordeel over het hele cluster bestaanszekerheid en perspectief.
De verbinding met de partijentabel is vooral bij rondkomen zichtbaar. PVV-kiezers geven hiervoor een 3,1 en FVD-kiezers een 3,3, tegenover 6,9 bij D66, 6,4 bij het CDA en 6,0 bij de VVD. Dat patroon past bij de hypothese dat verschillen in ervaren financiële zekerheid samenhangen met de grote verschillen tussen partijachterbannen.
Ook bij bestuur en zeggenschap zien we een overeenkomst tussen de twee tabellen. Mensen met financiële zorgen geven de mate waarin de politiek rekening houdt met de bevolking een 2,4, tegenover 4,2 bij mensen zonder zorgen. In de partijentabel geven PVV- en FVD-kiezers hiervoor bijzonder lage cijfers, respectievelijk 1,6 en 1,4, terwijl D66-kiezers uitkomen op 6,5. Zowel naar financiële zorgen als naar partijvoorkeur lopen de beoordelingen van de verhouding tussen burgers en politiek dus sterk uiteen.
De verschillen reiken bovendien tot veiligheid en samenleven. Mensen met financiële zorgen geven de veiligheid op straat een 3,6, tegenover 5,1 bij mensen zonder zorgen. Cultureel samenleven krijgt respectievelijk 3,0 en 4,4. Financiële onzekerheid gaat daarmee samen met een breed negatief oordeel over Nederland. Dat is een belangrijke uitkomst en een mogelijke invalshoek om de politieke verschillen beter te begrijpen.
De SP laat tegelijk zien dat rondkomen niet het volledige politieke patroon kan verklaren: SP-kiezers beoordelen rondkomen met 3,5, maar veiligheid en cultureel samenleven duidelijk gunstiger dan PVV- en FVD-kiezers. De afsluitende kruistabel bevestigt nu rechtstreeks de samenhang tussen financiële zorgen en politieke voorkeur. PVV en FVD krijgen meer steun binnen de groep met zorgen, D66 en CDA binnen de groep zonder zorgen.
1.7 Rapportcijfers naar meer kansen of meer bedreigingen
Gemiddelde beoordeling van de huidige situatie in Nederland
Na financiële zorgen laat ook de afweging tussen kansen en bedreigingen grote verschillen in het oordeel over Nederland zien. Mensen die in de genoemde ontwikkelingen vooral kansen zien, geven de huidige situatie gemiddeld een 4,9. Wie kansen en bedreigingen in evenwicht vindt, komt uit op 4,7. De groep die vooral bedreigingen ziet, geeft gemiddeld een 3,3 en beoordeelt alle twaalf onderwerpen lager dan de beide andere groepen.
Opvallend is hoe dicht de eerste twee groepen bij elkaar liggen. De groep die evenwicht ziet, neemt bij de rapportcijfers geen positie halverwege de twee uitersten in. Zowel deze groep als de groep die vooral kansen ziet geeft de kwaliteit van het bestuur een 4,4 en de regeling van immigratie en asiel een 3,6. Hun algemene beoordeling ligt daarmee veel dichter bij elkaar dan bij die van mensen die vooral bedreigingen ervaren.
De grootste verschillen tussen mensen die kansen en mensen die bedreigingen zien, betreffen de invloed van burgers en de veiligheid op straat. Burgerinvloed krijgt een 4,8 bij de eerste groep en een 2,9 bij de tweede. Voor veiligheid zijn de cijfers 5,6 en 3,7. Of de politiek rekening houdt met de bevolking wordt beoordeeld met respectievelijk 4,5 en 2,7; cultureel samenleven met 4,8 en 3,1. Een overwegend bedreigend beeld van de ontwikkelingen gaat dus samen met lage beoordelingen van zowel de politiek als het samenleven.
Dit sluit inhoudelijk aan bij de eerder beschreven verschillen tussen partijachterbannen. PVV- en FVD-kiezers geven op deze politieke en maatschappelijke onderwerpen eveneens zeer lage cijfers. De invloed van burgers krijgt van hen bijvoorbeeld een 1,7 en een 1,5, tegenover 6,5 bij D66-kiezers. Hun cijfers liggen daarmee nog verder uiteen dan die van mensen die vooral kansen of vooral bedreigingen zien. De partijentabel en deze tabel laten een vergelijkbare tegenstelling in beoordelingen zien, maar betreffen verschillende indelingen van respondenten.
De afsluitende kruistabel verbindt dit toekomstbeeld rechtstreeks met politieke voorkeur. D66 krijgt 24% steun bij mensen die meer kansen zien en 7% bij mensen die meer bedreigingen zien. Voor PVV zijn die aandelen 3% en 15%, voor FVD 5% en 13%. De eerder beschreven overeenkomst in beoordelingspatronen gaat dus samen met een duidelijke samenhang tussen toekomstbeeld en partijvoorkeur.
Ook een gunstiger toekomstbeeld betekent overigens geen algemene tevredenheid. Mensen die vooral kansen zien geven een betaalbare woning vinden en de regeling van immigratie en asiel beide slechts een 3,6. Net als bij de partijachterbannen zijn er dus onderwerpen waarop een relatief positiever oordeel samengaat met breed gedeelde kritiek.
1.8 Nederland nu en in de herinnering
De vergelijking tussen het huidige Nederland en het Nederland van vroeger laat een uitgesproken patroon zien. In alle vijf leeftijdsgroepen die beide perioden beoordeelden, krijgt het verleden op elk van de twaalf onderwerpen een hoger gemiddeld cijfer dan het heden. Het gevoel dat Nederland er vroeger beter voor stond, is daarmee breed zichtbaar. De omvang van het verschil varieert echter duidelijk per onderwerp en leeftijdsgroep.
De woningmarkt springt er het sterkst uit. In iedere leeftijdsgroep is dit het onderwerp met het grootste verschil tussen vroeger en nu. Bij 25-34-jarigen krijgt de mogelijkheid om een betaalbare woning te vinden een 5,8 voor 2015, tegenover 3,0 voor nu. Onder 65-plussers zijn de cijfers 5,7 voor 1980 en 3,1 voor het heden. Ook de overige groepen laten een afstand van ruim twee punten zien. De ongunstige vergelijking met vroeger beperkt zich dus niet tot mensen die tientallen jaren terugkijken.
Daarnaast vallen de omgang tussen mensen en de kansen voor jongeren op. De groep van 45-54 jaar beoordeelt de kansen voor jongeren met een 5,9 voor 2000, tegenover 3,8 voor nu. Onder 35-44-jarigen krijgt 2015 hiervoor een 6,0 en het heden een 4,2. Het beeld van achteruitgang raakt daarmee zowel de onderlinge verhoudingen als de mogelijkheden om een bestaan op te bouwen.
Bij veiligheid zijn de verschillen tussen leeftijdsgroepen bijzonder zichtbaar. 65-plussers geven 1980 een 6,2 en het heden een 4,0. Onder 25-34-jarigen is de afstand kleiner: 6,1 voor 2015 tegenover 5,2 voor nu. Bij deze jongere groep concentreren de grootste verschillen zich sterker rond wonen, omgang en toekomstkansen.
Opvallend is verder dat 55-64-jarigen zowel het heden als het jaar 2000 negatiever beoordelen dan 45-54-jarigen. Hun bijzonder lage huidige cijfers gaan dus samen met een minder gunstige terugblik op hetzelfde referentiejaar. Het verschil tussen vroeger en nu is bij hen bovendien kleiner. Een laag huidig oordeel betekent daarmee niet automatisch de sterkste ervaren achteruitgang.
Deze uitkomsten beschrijven hoe Nederlanders vanuit het heden op het verleden terugkijken. Het zijn geen rapportcijfers die in 1980, 2000 of 2015 zijn verzameld. Herinneringen, de toenmalige levensfase en werkelijke veranderingen kunnen alle bijdragen aan de verschillen. Omdat ook de referentiejaren uiteenlopen, kunnen de leeftijdsgroepen niet rechtstreeks worden vergeleken op de mate van nostalgie.
Wel staat vast dat het gunstiger beeld van vroeger breed wordt gedeeld en inhoudelijke accenten kent. Vooral betaalbaar wonen en het perspectief voor jongeren vormen terugkerende punten waarop Nederlanders een duidelijke verslechtering ervaren.
2. Electorale voorkeuren
Dit hoofdstuk verbindt de stemkeuze bij TK2025 met herinneringen aan eerdere verkiezingen. De genoemde vroegere partijen kunnen per respondent overlappen. De twee perioden betreffen verschillende leeftijdsgroepen; de tabellen beschrijven electorale voorgeschiedenissen en geen rechtstreekse overstappen tussen twee verkiezingen.
Voordat we tot die analyses overgaan is het van belang om vanuit de Tweede Kamer-verkiezingsuitslagan van de laatste 50 jaar de belangrijkste ontwikkeling te halen, die kenmerken is voor de veranderingen in de samenleving.
In et laatste kwart van de vorige eeuw waren het CDA, de PvdA en de VVD de belangrijkste partijen. Samen haalden ze tussen 1977 en 1989 80% of meer. Het CDA en de PvdA schommelden rond een derde van het electoraat. De VVD de helft ervan.
In 1998 was de uitslag van de drie grootste partijen gedaald naar 70%. Naast D66 begonnen ook GroenLinks betere resultaten te halen.
De grote verandering kwam toen in 2010 het CDA wegzakte naar 15% en de VVD – voor het eerst – de grootste partij werd. Vervolgens zakte de PvdA in 2017 naar 6% weg.
Als je de uitslag van 2025 van GroenLinks-PvdA (12%) gelijkelijk verdeeld over de beide partijen dan hebben in 2025 het CDA, de VVD en de PvdA nog maar 33% van de stemmen.
Tegelijkertijd zien we sinds 2010 een gestage verschuiving van het electoraat van links naar rechts. Haalden de partijen rechts van het CDA in 2010 nog 57 zetels, inmiddels is dat gestegen naar 73. Plus dat zowel in 2023 als 2025 een andere partij dan CDA, PvdA of VVD de grootste partij werd.
De meest recente zetelpeilingen laten dat beeld nog steeds zien. Weliswaar is PRO nu veruit de grootste partij, rechts van het CDA zien we nog steeds bijna de helft van alle kiezers.
Die electorale ontwikkelingen lijken het ook steeds moeilijker om een stabiele meerderheidsregering te vormen, zoals lang wel het geval was toen van de drie grootste stromingen 2 samen in beide kamers een meerderheid hadden.
De tabellen in dit hoofdstuk laten zien wat de relatie is op kiezersniveau tussen de huidige stemkeuze en die bij vorige verkiezingen in de afgelopen 50 jaar.
2.1. Stemverleden van 1977 tot 1994 naar TK2025
Respondenten ouder dan 65 jaar. Kolommen: stemkeuze bij TK2025.
De oudere achterbannen van TK2025 hebben een herkenbare, maar vaak meervoudige politieke voorgeschiedenis. Van de CDA-kiezers ouder dan 65 jaar noemt 72% een stem op het CDA tussen 1977 en 1994. Bij D66 noemt 64% de eigen partij; bij VVD is dit 40%. Dat laat een historische verbinding zien. Het betekent niet dat deze mensen gedurende de hele periode uitsluitend op dezelfde partij stemden.
Bij GrL-PvdA is de verbinding met de vroegere PvdA sterk: 78% noemt die partij. Daarnaast noemt 38% PPR, PSP of GroenLinks. Deze groepen kunnen overlappen. Ook bij D66 zien we verschillende historische voorkeuren naast elkaar: 38% noemt PvdA, 21% CDA en 20% PPR, PSP of GroenLinks. Een stem op D66 in 2025 kan dus samengaan met eerdere keuzes binnen meerdere politieke stromingen.
De voorgeschiedenis van de oudere PVV-kiezers is eveneens gemengd. Zij noemen PvdA met 22%, VVD met 21% en CDA met 12%. D66 en PPR, PSP of GroenLinks worden veel minder genoemd, met respectievelijk 3% en 2%. Verder noemt 28% een andere partij en 20% niet gestemd. De tabel laat zien dat deze achterban verbindingen heeft met verschillende vroegere partijen.
Bij JA21 wordt VVD het vaakst genoemd van de afzonderlijk weergegeven partijen, met 28%, gevolgd door PvdA met 24%. Bij BBB worden CDA en VVD beide door 26% genoemd. De categorie andere partij bereikt bij BBB en FVD 35%.
Dezelfde tabel wordt nu nog een keer getoond, maar dan omgekeerd. Horizontaal staat de keuze bij de verkiezingen in 2025 en verticaal de keuzes die ze tussen 1977 en 1994 gemaakt hebben bij de Tweede Kamerverkiezingen.
Deze leesrichting laat dus zien hoe de groepen met een bepaalde stemgeschiedenis zich bij TK2025 over partijen verdelen. De kolom ouder dan 65 jaar is de passende referentie voor de vijf historische groepen.
Van degenen die tussen 1977 en 1994 CDA noemen, koos 54% bij TK2025 opnieuw CDA. Onder degenen die vroeger D66 noemen, koos 48% bij TK2025 D66. Van degenen die vroeger VVD noemen, koos 44% bij TK2025 VVD.
Het meest opmerkelijk is dat van degen tussen 1977 en 1994 wel eens PvdA hebben gestemd, slechts 30% GrL-PvdA in 2025 stemden, gevolgd door D66 met 17%, PVV met 13% en CDA met 11%. In de groep die PPR, PSP of GroenLinks noemt tussen 1977 en 1994 haalt GrL-PvdA 34% en D66 24%.
De verschuiving in de richting van rechts is dan op de volgende wijze goed uit deze tabel te halen.
- Kiezers die tussen 1977 en 1994 wel eens CDA hebben gestemd, koos in 2025 voor 11% een partij links van het CDA en 22% rechts van het
- Van de kiezers die tussen 1977 en 1994 wel eens PvdA stemden, koos in 2025 24% een partij rechts van het CDA.
- Van de kiezers die tussen 1997 en 1994 wel eens VVD stemden koos in 2025 26% een partij rechts van de VVD en 7% een partij links van het CDA.
2.2 Stemverleden van 1998 tot 2010 naar TK2025
Respondenten ouder dan 35 jaar. Gevraagd naar de verkiezingen van 1998, 2002, 2003, 2006 en 2010.
Voor de verkiezingen van 1998, 2002, 2003, 2006 en 2010 is gekeken naar respondenten ouder dan 35 jaar. Ook hier zien we bij verschillende achterbannen een sterke verbinding met dezelfde partij in het verleden. Van de CDA-kiezers bij TK2025 noemt 90% CDA als eerdere keuze in de periode 1998 tot en met 2010 . Bij D66 is dit 78% en bij VVD 55%. Het gaat steeds om minstens één genoemde verkiezing, niet noodzakelijk om een vaste voorkeur tijdens alle vijf verkiezingen.
Bij GrL-PvdA noemt 72% PvdA en 58% GroenLinks. Daarnaast noemt 28% D66 en 21% SP. De achterban verenigt daarmee meerdere herinnerde voorkeuren binnen dit deel van het politieke spectrum. De percentages overlappen: iemand kan tijdens verschillende verkiezingen op PvdA, GroenLinks en D66 hebben gestemd. Ook binnen de D66-achterban is de voorgeschiedenis breder dan de eigen partij, met 36% PvdA, 21% GroenLinks en 19% VVD.
Bij de PVV-kiezers van TK2025 noemt 38% een eerdere stem op PVV en 31% LPF. Verder worden VVD met 15%, SP met 12% en PvdA met 11% genoemd. Bij FVD zijn LPF met 29%, PVV met 21% en SP met 17% opvallende onderdelen van de voorgeschiedenis. De categorie andere partij bedraagt daar 25%. Deze uitkomsten laten verschillende historische verbindingen zien, zonder een vaste route naar de partijkeuze van 2025 vast te leggen.
JA21 en BBB laten weer andere accenten zien. Onder JA21-kiezers wordt VVD door 42% genoemd, CDA door 26%, LPF door 24% en PVV door 23%. Onder BBB-kiezers komen CDA met 39% en VVD met 31% het vaakst voor, gevolgd door LPF met 24%. De voorgeschiedenissen van deze achterbannen overlappen, terwijl de verhoudingen tussen de genoemde partijen verschillen.
Een directe vergelijking met de tabel over 1977 tot 1994 vraagt voorzichtigheid. De leeftijdsselectie, verkiezingsperiode en antwoordcategorieën verschillen. Bovendien was een deel van de respondenten ouder dan 35 jaar bij de eerste genoemde verkiezingen nog te jong om te stemmen. Verschillen tussen de twee tabellen kunnen daarom niet zonder meer worden uitgelegd als veranderingen in partijtrouw of als verschuivingen binnen dezelfde groep mensen.
Dezelfde tabel maar dan andersom ziet er als volgt uit:
Historische kolom met: respondenten ouder dan 35 jaar. Verkiezingen van 1998, 2002, 2003, 2006 en 2010.
Deze tabel laat zien hoe Nederlanders ouder dan 35 jaar met een bepaalde stemgeschiedenis zich bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2025 over de partijen verdeelden. Het gaat om partijen waarop zij bij één of meer verkiezingen tussen 1998 en 2010 hebben gestemd. Omdat respondenten meerdere partijen konden noemen, overlappen de historische groepen.
Bij verschillende partijen is een duidelijke verbinding met de vroegere achterban zichtbaar. Van degenen die in de genoemde periode D66 stemden, koos 66% in 2025 opnieuw D66. Voor de PVV bedraagt dit aandeel eveneens 66%, voor het CDA 56% en voor de VVD 45%. Dit betekent niet dat deze kiezers bij alle tussenliggende verkiezingen dezelfde partij trouw bleven.
Ook tussen verwante partijen zijn duidelijke verbindingen zichtbaar. Van de vroegere PvdA-kiezers koos 51% in 2025 GroenLinks-PvdA en 22% D66. Onder mensen met een GroenLinks-verleden waren die aandelen respectievelijk 64% en 25%. De vroegere SP-achterban is sterker verdeeld: 29% koos GroenLinks-PvdA, 22% PVV en 13% D66. Daarnaast stemde 23% op overige partijen, waaronder de SP zelf.
Aan de rechterkant valt vooral de verbinding tussen LPF en PVV op. Van degenen die tussen 1998 en 2010 weleens LPF stemden, koos 58% in 2025 PVV, 15% VVD en 11% JA21. Slechts 2% koos D66 of GroenLinks-PvdA. Binnen de historische PVV-groep zijn JA21 met 13% en VVD met 11% de grootste afzonderlijk weergegeven alternatieven.
De tabel laat bij verschillende historische achterbannen een verschuiving naar rechts zien. Van de vroegere CDA-kiezers koos 27% in 2025 VVD, PVV of JA21, tegenover 12% voor D66 of GroenLinks-PvdA. Onder vroegere PvdA-kiezers koos 18% VVD, PVV of JA21.
Ook binnen de vroegere VVD-achterban is deze beweging zichtbaar. In 2025 koos 27% PVV of JA21, tegenover 14% voor D66 of GroenLinks-PvdA. Daarnaast koos 10% CDA.
Deze verhoudingen wijzen op een duidelijke aantrekkingskracht van partijen rechts van de traditionele bestuurspartijen. De tabel maakt echter geen exacte berekening van de netto verschuiving mogelijk. De historische groepen overlappen, omvatten meerdere verkiezingen en geven geen ononderbroken beeld van individuele kiezersbewegingen.
De bredere ontwikkeling is die van een electoraat waarin de traditionele bestuurspartijen CDA, PvdA en VVD hun vroegere dominante positie hebben verloren. De spreiding over meer partijen en de afstand tussen hun achterbannen bemoeilijken het vormen van stabiele regeringen met een breed maatschappelijk draagvlak.
Naar mijn overtuiging raakt dit aan de inrichting van ons politieke stelsel. Nieuwe verkiezingen veranderen de zetelverdeling, maar bieden op zichzelf geen oplossing voor de onderliggende spanning tussen vertegenwoordiging, samenwerking en bestuurbaarheid.
In 2009 presenteerde ik hiervoor al een voorstel binnen de grenzen van de huidige Grondwet, gericht op regeren vanuit draagvlak onder de bevolking. Mijn kritiek is dat de politieke discussie sindsdien te weinig over die fundamentele opgave is gegaan. Ook de latere voorstellen voor staatkundige vernieuwing gaan naar mijn oordeel onvoldoende ver. De uitkomsten van dit onderzoek onderstrepen voor mij de noodzaak om die discussie opnieuw en indringender te voeren.
3. Oordeel over politici 1976-2026
Verdeeld over 4 periodes hebben we bekeken welke politici men het meest heeft gewaardeerd. Er werden steeds de 20 meest markante politici uit die periode ter beoordeling voorgelegd en men mocht er maximaal 3 kiezen, die men uit die periode het meest waardeert.
3.1. Politici uit 1976 tot 1995
Meest gewaardeerde politici volgens Nederlanders van 65+
Percentage dat de politicus noemt, naar huidige politieke voorkeur. Meerdere antwoorden mogelijk. Allen betreft de genoemde leeftijdsgroep; de rijen zijn daarop gerangschikt.

Donkerder blauw = vaker genoemd. Oranje omlijnd = minstens 25% bij een andere partijachterban dan de vermelde partijherkomst. PvdA en GroenLinks worden hierbij vergeleken met PRO.
Hans Wiegel heeft binnen de getoonde selectie uit die periode het hoogste totaalpercentage: 34% van de 65-plussers noemt hem. Zijn waardering reikt duidelijk verder dan de huidige VVD-achterban, waar hij 69% haalt. Ook bij JA21 (60%), 50Plus (51%), CDA (44%) en PVV (41%) wordt hij veel genoemd. Bij PRO (4%) en SP (10%) ligt dat aandeel aanzienlijk lager. Zijn bereik is dus groot, maar niet gelijkmatig over het politieke spectrum verdeeld.
Joop den Uyl wordt door 33% genoemd. Naast de sterke waardering bij PRO (71%) valt vooral de SP op met 64%. Wim Kok krijgt bij D66 32%, tegenover 42% bij PRO. Jan Terlouw wordt buiten D66 ook geregeld genoemd bij PRO (27%), SP (23%) en CDA (22%). Ruud Lubbers bereikt bij de huidige VVD-kiezers 37%, naast 52% bij het CDA.
De terugblik laat daarmee herkenbare partijverbindingen én waardering daarbuiten zien. De indeling betreft de huidige politieke voorkeur van 65-plussers. Het gaat dus niet om de partijen waarop deze mensen tussen 1976 en 1995 stemden.
3.2. Politici uit 1996 tot 2010
Meest gewaardeerde politici volgens Nederlanders van 45+
Percentage dat de politicus noemt, naar huidige politieke voorkeur. Meerdere antwoorden mogelijk. Allen betreft de genoemde leeftijdsgroep; de rijen zijn daarop gerangschikt.

Donkerder blauw = vaker genoemd. Oranje omlijnd = minstens 25% bij een andere partijachterban dan de vermelde partijherkomst. PvdA en GroenLinks worden hierbij vergeleken met PRO.
Pim Fortuyn staat met 35% bovenaan in de getoonde selectie onder 45-plussers. Vooral zijn scores bij huidige FVD-kiezers (85%), PVV-kiezers (76%) en JA21-kiezers (67%) vallen op. Bij VVD wordt hij door 32% genoemd en bij CDA door 21%. De veel lagere percentages bij PRO (6%) en D66 (5%) laten zien dat zijn waardering zich sterk concentreert bij bepaalde achterbannen.
Rita Verdonk vormt een opvallend voorbeeld van een politicus die buiten haar vroegere partij veel vaker wordt genoemd. Zij bereikt 31% bij PVV, 29% bij FVD en 26% bij JA21, tegenover 5% bij VVD. Haar loopbaan in deze periode omvatte zowel VVD als Trots op Nederland.
Aan de andere kant krijgt Jan Marijnissen naast 74% bij SP ook 29% bij PRO. Els Borst bereikt 26% bij PRO, naast 40% bij D66. Mark Rutte wordt buiten VVD vooral genoemd bij CDA (33%) en JA21 (27%). Deze cijfers meten huidige waardering voor politici uit de genoemde periode. Zij tonen geen rechtstreekse overstappen van kiezers tussen partijen.
3.3. Politici uit 2011 tot 2020
Meest gewaardeerde politici volgens Nederlanders van 35+
Percentage dat de politicus noemt, naar huidige politieke voorkeur. Meerdere antwoorden mogelijk. Allen betreft de genoemde leeftijdsgroep; de rijen zijn daarop gerangschikt.

Donkerder blauw = vaker genoemd. Oranje omlijnd = minstens 25% bij een andere partijachterban dan de vermelde partijherkomst. PvdA en GroenLinks worden hierbij vergeleken met PRO.
In deze periode vallen enkele politici op die bij uiteenlopende achterbannen worden gewaardeerd. Pieter Omtzigt, destijds CDA-politicus, wordt door 40% van de huidige 50Plus-kiezers en 31% van de SP-kiezers genoemd. Dat is hoger dan de 23% bij het huidige CDA. Ook bij JA21 (20%) en FVD (19%) krijgt hij waardering. Binnen deze selectie is dat een duidelijk voorbeeld van waardering over partijgrenzen heen.
Renske Leijten bereikt naast 48% bij SP ook 34% bij 50Plus, 22% bij PRO en 21% bij JA21. Klaas Dijkhoff wordt buiten VVD veel genoemd bij D66 (32%), JA21 (32%), 50Plus (30%) en CDA (28%). Bij Jeroen Dijsselbloem valt op dat zijn aandeel bij CDA (21%) iets hoger ligt dan bij PRO (19%). Aan dat kleine verschil kan zonder nadere toetsing geen zwaar gewicht worden toegekend.
Mark Rutte en Geert Wilders hebben hoge scores in hun eigen achterban, respectievelijk 84% en 90%. Hun waardering daarbuiten verschilt: Rutte bereikt onder meer CDA (39%) en JA21 (38%); Wilders vooral FVD (54%) en JA21 (36%). De uitkomsten gelden voor Nederlanders van 35 jaar en ouder.
3.4 Politici uit 2021 tot 2026
Meest gewaardeerde politici volgens Nederlanders van 18+
Percentage dat de politicus noemt, naar huidige politieke voorkeur. Meerdere antwoorden mogelijk. Allen betreft de genoemde leeftijdsgroep; de rijen zijn daarop gerangschikt.

Donkerder blauw = vaker genoemd. Oranje omlijnd = minstens 25% bij een andere partijachterban dan de vermelde partijherkomst. PvdA en GroenLinks worden hierbij vergeleken met PRO
Onder alle volwassenen valt Henri Bontenbal op door zijn waardering buiten het CDA. Naast 80% bij zijn eigen achterban wordt hij door 33% van de huidige D66-kiezers genoemd. Voor Rob Jetten zijn de percentages 77% bij D66 en 18% bij CDA. Deze wederzijdse waardering is dus niet even sterk. Mark Rutte bereikt naast 79% bij VVD ook 35% bij CDA en 26% bij JA21.
Mona Keijzer wordt vooral genoemd bij JA21 (41%), PVV (37%), 50Plus (29%) en FVD (28%). Pieter Omtzigt scoort relatief hoog bij SP (31%), 50Plus (28%) en CDA (26%). Beide politici zijn in deze periode met verschillende partijen verbonden geweest.
Geert Wilders bereikt 92% bij PVV en 49% bij FVD, maar bij PRO, D66 en CDA afgerond 0% tot 1%. Sigrid Kaag wordt naast D66 (47%) relatief vaak bij PRO genoemd (29%). De uitkomsten laten zien dat waardering buiten de eigen partij voorkomt, terwijl de afstanden tussen sommige achterbannen groot blijven. Verschillen met eerdere perioden zijn geen zuivere ontwikkeling door de tijd: ook de leeftijdsselectie en de voorgelegde politici verschillen.
4. Afsluitend
Vijftig jaar na mijn eerste zetelpeiling laat dit onderzoek zien hoe kritisch Nederlanders hun samenleving beoordelen. Op alle twaalf onderzochte aspecten zijn de gemiddelde rapportcijfers laag. De leeftijdsgroepen die ook naar het verleden is gevraagd, beoordelen dat verleden telkens gunstiger. Dat bewijst niet dat Nederland vroeger op al die punten beter functioneerde, maar laat wel een breed gedeeld gevoel van achteruitgang zien.
Financiële onzekerheid loopt als een rode draad door de uitkomsten. Zorgen over rondkomen en de financiële toekomst hangen nauw samen met het oordeel over andere aspecten van de samenleving. Vooral het verschil tussen de achterbannen van D66 en CDA enerzijds en PVV en FVD anderzijds is groot. Van de D66-kiezers maakt 11% zich zorgen over de financiële toekomst, tegenover 69% bij zowel PVV als FVD. Onder alle kiezers is dat 44%. Ook opleiding en inkomen hangen duidelijk met deze verschillen samen.
De politieke scheidslijnen laten zich daarmee onvoldoende begrijpen vanuit alleen de klassieke ideologische tegenstellingen tussen bijvoorbeeld liberalisme en sociaaldemocratie. Ervaren bestaanszekerheid en toekomstperspectief lijken relevanter. Tegelijk blijven de verschillen tussen partijachterbannen ook bestaan wanneer we mensen met en zonder financiële zorgen afzonderlijk vergelijken. Economische onzekerheid verklaart dus niet alles.
Over de afgelopen dertig jaar zien we een verschuiving naar rechts, een kleiner politiek centrum en scherpere tegenstellingen. De waardering voor politici uit verschillende perioden weerspiegelt de uiteenlopende politieke tradities: onder de onderzochte generaties behoren Wiegel, Den Uyl, Rutte en Wilders tot de meest gewaardeerde namen.
Deze ontwikkelingen roepen voor mij een fundamentele vraag op: in hoeverre kan ons politieke stelsel anno 2026 nog stabiele regeringen voortbrengen die op voldoende maatschappelijk draagvlak kunnen rekenen? Naarmate het electoraat sterker verdeeld raakt, wordt het moeilijker om uiteenlopende verwachtingen in één regeringsbeleid samen te brengen.
Ik verwacht dat die spanning verder zal toenemen. Internationale onveiligheid, economische onzekerheid en de mogelijke ingrijpende gevolgen van AI voor de werkgelegenheid kunnen bestaande tegenstellingen versterken. Daarmee wordt naar mijn overtuiging ook de noodzaak van hervorming van ons politieke stelsel urgenter.
De vergelijking met 1848 dringt zich op. Toen hielp de onrust in Europa de weg vrijmaken voor Thorbeckes grondwetsherziening. De omstandigheden zijn nu anders, maar ook vandaag kan maatschappelijke druk de ruimte scheppen voor veranderingen die lange tijd onhaalbaar leken. Het zou mij niet verbazen als hervorming van ons stelsel de komende jaren een centrale politieke kwestie wordt.



