Mede ter voorbereiding van de openbare verhoren van de Parlementaire Commissie Corona heb ik dit overzicht gemaakt van de wijze waarop WHO, RIVM en OMT het verspreiden van de virus via de lucht lang niet serieus nam.
Lees volledig artikel: RIVM en OMT weigerde lang ze te zien vliegen
Parlementaire Enquête Corona
In Nieuwsuur werd door Ernst Kuipers beweerd dat als Nederland eerder in lockdown was gegaan, het meer dan 2.000 coronadoden had gescheeld. Daar is veel op af te dingen, maar daar gaat het nu niet om.
Wat niet gebeurd is (en ook niet zal gebeuren) is de constatering dat als WHO/OMT en RIVM direct hadden onderkend dat dit luchtwegvirus door de lucht zich verspreidde en dat het erom ging om de ruimtes veilig te maken en niet zozeer om 1,5 meter te houden, dan had het in Nederland wel eens tussen de 5.000 en 8.000 overlijdensgevallen kunnen schelen en wereldwijd miljoenen. Plus dat een groot deel van de maatregelen, die een grote economische, maatschappelijke en gezondheidsschade hebben berokkend, niet nodig is geweest om ze in te voeren.
Tijdens de verhoren van deze commissie zal er vanuit deze site nog veel gepubliceerd worden.
Naar als een voorproefje volgt nu het overzicht van de ontkenning van WHO. RIVM en OMT van de verspreiding door de lucht.
Besmettingen van corona (en ook van influenza) geschieden doordat mensen langdurig het virus inademen en dat op deze manier in de bloedbaan komt, terwijl de weerstand van de persoon niet sterk genoeg is om dat virus dan ook te verwijderen. De virale dosis is de cruciale component en het hangt af van het immuunsysteem van de ontvanger van het virus of dit al dan niet tot infectie leidt.
Vele onderzoeken bevestigen dat patroon. Dus;
- je kan niet besmet worden met dit virus via voorwerpen
- een korte tijd op korte afstand van iemand die op dat moment het virus verspreidt is niet gevaarlijk
- goede ventilatie (CO₂-gehalte onder 600 PPM) voorkomt besmetting
- in de buitenlucht is de kans op besmetting (vrijwel) nihil
Dat het lang geduurd heeft voordat dit door de WHO werd erkend en nog langer door RIVM en OMT heeft gezorgd voor veel onnodige slachtoffers en ook dat er drastische maatregelen werden genomen, die op zichzelf amper enig effect hadden, maar wel enorme schade hebben veroorzaakt.
Hier volgt op basis van de openbare bronnen hoe de weerstand was bij WHO, OMT en RIVM ten aanzien van het onderkennen van deze verspreiding van het virus
Internationale tijdlijn en omslag bij WHO

De officiële WHO-positie van 29 maart 2020 was druppel- en contactgeoriënteerd. WHO schreef: “According to current evidence, COVID-19 virus is primarily transmitted between people through respiratory droplets and contact routes,” en voegde eraan toe dat airborne transmission in de context van COVID-19 vooral mogelijk was bij aerosol-genererende medische procedures. WHO wees zelfs expliciet op de laboratoriumaard van de bekende NEJM-aerosolstudie en zei dat die experimenteel opgewekte aerosolen “do not reflect normal human cough conditions.”
Er werd door de WHO ook deze tweet geplaatst.

De eerste echte inhoudelijke verschuiving kwam in de scientific brief van 9 juli 2020. WHO bleef schrijven dat SARS-CoV-2 “predominantly spread from person-to-person”, maar nam nu wél op dat WHO met de wetenschappelijke gemeenschap actief evalueerde of verspreiding via aerosolen ook zonder medische procedures kon optreden, “particularly in indoor settings with poor ventilation.” Tegelijk bleef WHO toen nog zeggen: “To date, transmission of SARS-CoV-2 by this type of aerosol route has not been demonstrated; much more research is needed.” Dat is geen volledige ontkenning meer, maar wel een zeer terughoudende erkenning.
Tijdens de WHO persconferentie van 21 september 2020 werd dit publiek nog iets explicieter gemaakt. Mike Ryan zei enerzijds dat de WHO “haven’t changed our position”, maar ook dat verschillende transmissieroutes contextafhankelijk waren, “particularly in poorly ventilated spaces.” Even later zei hij: “We believe the disease is predominantly or primarily spread through droplet spread,” maar óók: “People crowded into a small space without adequate ventilation where they’re there for a long duration of time; in that situation aerosol-based transmission can occur and it has been demonstrated to occur.” In dezelfde briefing verbond de WHO het praktische beleid aan afstand, duur, drukte en ventilatie.
De substantieve omslag bij WHO ligt pas in maart-april 2021, niet al in juli 2020.
De retrospectieve WHO-correctie kwam in 2024. In het technische consultatierapport over terminologie schreef de WHO dat tijdens de COVID-19-pandemie de termen “airborne”, “airborne transmission” en “aerosol transmission” op uiteenlopende manieren zijn gebruikt, wat “may have contributed to misleading information and confusion.” Het rapport stelde als nieuwe, overkoepelende taal “transmission through the air” voor en benadrukte dat risicovermindering draait om een combinatie van distancing, masking, adequate ventilation/dilution en airflow pattern. Dat is tegelijk een terminologische én impliciete institutionele erkenning dat het oude druppels-vs-airborne frame te star was.
De ontwikkeling in de internationale literatuur liep sneller dan de WHO-taal. De NEJM-studie van van Doremalen et al. liet al in maart 2020 zien dat SARS-CoV-2 in experimenteel opgewekte aerosolen urenlang detecteerbaar en levensvatbaar bleef; Morawska en collega’s riepen in juli 2020 op om airborne transmission expliciet te adresseren; het CDC-rapport over Skagit Valley Chorale liet in mei 2020 een extreem hoge attack rate zien bij een 2,5 uur durende koorrepetitie; en Greenhalgh et al. schreven in The Lancet in 2021 dat tien bewijslijnen samen de hypothese steunen dat SARS-CoV-2 primarily by the airborne route wordt overgedragen. De WHO bewoog dus niet in een wetenschappelijk vacuüm, maar liep in haar publieke formuleringen achter op een belangrijk deel van de internationale discussie.
Nederlandse tijdlijn en de omslag bij RIVM, OMT en kabinet
Al in de technische briefing van 20 februari 2020 legde de RIVM/OMT-top uit dat verspreiding kon verlopen via contact, druppels en aerosolen, waarbij aerosolen vrijkomen “bij bijv. beademen” en “als mist in een kamer” blijven hangen. Dat wil zeggen: de aerosolgedachte was in Nederland vanaf het begin bekend, maar in een beperkte, medische context
Op 18 mei 2020 zette het 67e OMT de toon voor de daaropvolgende maanden. In het officiële advies staat: “er [is] onvoldoende bewijs dat aerogene transmissie een rol speelt in de verspreiding van SARS-CoV-2.” Verder concludeerde het OMT dat ventilatiesystemen “geen rol van belang te lijken hebben gespeeld in de epidemie” en dat er daarom “geen reden is het huidige beleid aan te passen.” In hetzelfde advies werd opnieuw het volhouden van “anderhalve meter afstand” als kernvoorwaarde voor controle van de epidemie benadrukt. Dit is het sterkste Nederlandse institutionele document waarin aerosolrelevantie in de algemene verspreiding expliciet naar de achtergrond wordt gedrukt.
In juni 2020 kwam een eerste, kleine verschuiving. De officiële RIVM-tijdlijn vermeldt dat het RIVM op 30 juni 2020 in de LCI-richtlijn en de bijlage over aerogene verspreiding “de verwoording … aanpast”. Volgens Tijs van den Brink op NPO Radio 1 wijzigde RIVM in die periode de publieke tekst van “niet is aangetoond dat aerosolen een rol spelen” naar “op basis van de huidige inzichten onduidelijk is of aerogene transmissie een rol speelt in de spreiding van SARS-CoV-2”. Dat is geen volmondige erkenning, maar wel een duidelijke verzachting van de eerdere stelligheid.
Ondanks die verzachting bleef de inhoudelijke lijn tot ver in 2021 voorzichtig. Op 23 november 2020 noteerde de Gezondheidsraad nog dat de belangrijkste verspreidingsroute van COVID-19 verliep via “virusbevattende grotere druppels die binnen 1,5 meter aanwezig zijn”, terwijl er slechts “aanwijzingen” waren dat kleinere druppels/aerosolen in bepaalde situaties over grotere afstand konden verspreiden; onduidelijk bleef in welke mate dat aan de epidemie bijdroeg. Op 23 maart 2021 zei VWS aan de Kamer dat onduidelijk was of aerogene verspreiding “een relevante rol speelt”. Op 24 maart 2021 onderstreepte Van Dissel het belang van ventileren, maar plaatste dat in het grotere geheel nog onder de basisregels. [17]
De cruciale Nederlandse breuklijn ligt in mei–juli 2021. Op 12 mei 2021 zei Van Dissel nog in een technische briefing dat het OMT keek naar de relatieve bijdrage van overdracht, maar dat aerogene transmissie “een veel geringere invloed” had dan “grote druppelinfecties”. Nog geen week later, op 19 mei 2021, publiceerde het RIVM een update waarin het expliciet opnam dat besmetting “onder bepaalde omstandigheden” ook kan plaatsvinden via virusdeeltjes in kleine druppeltjes (aerosolen) die een grotere afstand kunnen afleggen, vooral in ruimten met geen of te weinig ventilatie en waar mensen voor langere tijd bijeen zijn. Dat is het moment waarop het RIVM de aerosolroute publiek en ondubbelzinnig in gewone binnenruimten is gaan benoemen.
Toch bleef het OMT zelfs daarna gereserveerd. In het 115e OMT-advies van 31 mei 2021 staat dat “tot op heden” geen onderzoek is gepubliceerd dat aantoont welke realistisch uitvoerbare minimale ventilatievoud tot aantoonbaar minder SARS-CoV-2-infecties leidt ten opzichte van de bestaande normering; daarom gaven recente onderzoeksresultaten volgens het OMT “geen aanleiding om de ventilatieadviezen te herzien”, hoewel men wel adviseerde ventilatiesystemen vooraf te controleren en bezoekersaantallen te koppelen aan de feitelijke ventilatiecapaciteit. Op 2 juni 2021 zei Van Dissel zelfs nog dat de “medische realiteit” van aerogene verspreiding niet te koppelen was aan het overgrote deel van de besmettingen.]
De beleidsmatige omslag kwam pas na de juli-uitbraak in de horeca en het nachtleven. In het OMT-advies van 9 juli 2021 werd gesproken over “gemakkelijke verspreiding in overvolle binnenruimtes, waarbij ventilatie gemakkelijk tekort kan schieten door het effect van meezingende en luidpratende opeenstaande personen”. De officiële RIVM-tijdlijn vat het 8 juli-advies samen met de constatering dat ventilatie in zulke ruimtes “gemakkelijk tekort kan schieten” en dat het aantal toegestane personen moet worden gebaseerd op wat het ventilatiesysteem aankan; ook werd CO2-meetapparatuur aanbevolen. In het Kamerdebat van 14 juli 2021 zei premier Rutte vervolgens dat het kabinet van plan was ventilatie “nevengeschikt aan de andere drie hoofdadviezen” toe te voegen. Het kabinet bevestigde op 19 juli 2021 dat frisse lucht/ventileren aan de basismaatregelen was toegevoegd.
Daarmee is het Nederlandse antwoord op de vraag “wanneer kwam de omslag?” tweedelig. De inhoudelijke erkenning van aerosolrisico in gewone binnenruimten kwam bij het RIVM op 19 mei 2021. De formele opname van ventilatie in de basiscommunicatie van het kabinet kwam op 14–19 juli 2021. Pas aan het einde van 2021 legde het RIVM bovendien expliciet vast dat ventileren volgens de normen het verwachte aantal zieken doet dalen, maar dat ventilatie aerogene transmissie “nooit helemaal” kan voorkomen.
Deze keten was niet lineair, maar de hoofdlijn is wel duidelijk: wetenschappelijke aanwijzingen en clusterpatronen voedden publieke druk en tegendruk, waarna instituties hun taal eerst subtiel en later expliciet aanpasten.
Maurice de Hond
Rol als agendeerder
Tijs van den Brink schreef op 2 juli 2020 dat Maurice de Hond “overtuigend de mogelijke rol van aerosolen bij de overdracht van het virus, en daarmee het belang van ventilatie op de agenda [heeft] gezet”, en dat RIVM intussen zijn formulering al had afgezwakt. Dat is geen wetenschappelijke validatie van al zijn stellingen, maar wel een betekenisvolle erkenning van zijn agenderende rol in het publieke debat.
Uit artikelen van maurice.nl
De inhoud van de belangrijkste posts is uit de openbare samenvattingen goed te reconstrueren. Op 31 maart 2020 schreef De Hond dat een lage luchtvochtigheid plus weinig ventilatie de kans op verspreiding vergroot en dat mondkapjes “een overduidelijke remmende werking” lijken te hebben. Op 2 april 2020 presenteerde hij zijn “Eureka”-moment: een Japans experiment, een Zuid-Koreaanse arts en enkele wetenschappelijke artikelen leidden hem tot de conclusie dat microdruppels/aerosolen de “grote boosdoener” waren. Op 14 april 2020 legde hij uit dat hij vanuit geografische patronen en literatuur tot antwoorden kwam over hoe het virus zich “vooral” verspreidt; op 18 april 2020 stelde hij zelfs dat de samenhang tussen luchtvochtigheid en sterfte “causaal” was.
Op 2 mei 2020 verscheen op zijn site ‘Aerosols, de cruciale missende schakel’, waarin werd gesteld dat RIVM, OMT en regering een ernstige fout maakten door aerosolen te blijven negeren. Op 17 mei 2020 schreef hij dat WHO en RIVM cruciale nieuwe onderzoeken negeerden en dat verspreiding “vooral via aerosolen” plaatsvond, waardoor de “1,5-metersamenleving meer schade aanricht dan goed doet.” Op 24 mei 2020 publiceerde hij een uitlegartikel rond de Wells curve, waarin juist werd betoogd dat grote druppels hoogstens een deel van het verhaal zijn en dat superspreading niet goed verklaard wordt door enkel grote druppels en oppervlakken. Op 18 juni 2020 beriep hij zich uitdrukkelijk op William Firth Wells (1955) en stelde hij dat WHO/RIVM Wells verkeerd gebruikten om de druppeltheorie te ondersteunen.
In de volgende fase maakte De Hond de stap van diagnose naar beleidsagenda. Input voor het Deltaplan Ventilatie van 2 juli 2020 ging expliciet over luchthiërarchie, luchtcapaciteit, luchtkwaliteit en luchtbehandelingssystemen. Op 7 juli 2020 vatte hij zijn praktische conclusie samen: de meeste infecties gebeuren via aerosolen; cruciaal is de viral dose; en hoe meer iemand inademt, hoe groter de kans op infectie en ernst. Op 19 juli 2020 werkte hij zijn kritiek op WHO en RIVM uit tot een aanval op de inconsistentie van de druppeltheorie. Daarna verschoof het accent naar scholen en zorginstellingen: Zin en onzin over ventilatie op scholen (26 augustus 2020) en de stukken over Maassluis en Parkhuis zetten ventilatie en aerosolverspreiding centraal bij clusteranalyse in instellingen. Lees o.a. “Kroniek van een aangekondigde doofpot” en “Waarom het weer misgaat in de zorginstellingen”



